Enkele weken geleden besloot ik om de vele, vele sjaals die ik in het verleden heb gehaakt, te verkopen. Ik plaatste ze op meerdere online platformen, en op het lokale buurtplatform kwam er al snel aandacht voor één specifieke sjaal. Ik geef toe: het was een schooneke ook. Mooie, warme kleuren, en een handig model. Ik had er veel tijd en liefde ingestoken, en het was leuk dat mensen in staat waren om dat te erkennen. Degene die me het eerst liet weten dat ze de sjaal wilde kopen, vroeg me hoeveel ik ervoor wilde krijgen. Ik antwoordde haar dat 12 euro me wel correct lijkt, en of ze daarmee akkoord was? Haar antwoord verbaasde me: 'Nee, dat is veel te weinig. Ik vind 20 euro, of misschien wel 25 euro, een veel correctere prijs. Wanneer zou ik hem kunnen komen ophalen?'
Wat ze zei, raakte me. Ik wist dat ze gelijk had, maar waarom moet iemand anders me dat zeggen en kan ik dat zelf niet? Waarom onderschat ik mijn vaardigheden en de arbeid die ik erin had gestoken (wat gemiddeld zo'n 20 uur per sjaal is, afhankelijk van de lengte en de steek)? Waarom vind ik dat ik geen 20 euro zou mogen ontvangen maar wel 12? Waarom gun ik mezelf zo weinig?
Gisteren had ik een ervaring die me dezelfde vraag deed stellen. Ik wandelde naar de supermarkt, en omdat ik zin had in zowel natuur als lichaamsbeweging, besloot ik een omweg langs het park te maken. Op weg naar het park stak ik de straat over, en plotseling zag ik vlak voor mijn neus een briefje van 5 euro liggen. Eigenlijk wist ik totaal niet wat ik daarmee moest doen... Wat ik instinctief wilde doen was het laten liggen om het door iemand anders te laten vinden, zodat die er gelukkig van zou worden. Het zelf meenemen voelde een beetje als... diefstal. Terwijl, moest iemand anders het vinden en meenemen, dan zou ik zeggen: 'Goed voor jou! Geniet ervan!', maar tegen mezelf kan ik dat dan blijkbaar niet. Ik bukte me, nam het op, en besloot om het voorlopig in mijn broekzak te steken. Ik vervolgde mijn wandeling, begon erover te bidden ('Walk and talk', zoals ik iemand soms hoor zeggen), en zei tegen God dat, als er aan de ingang van de supermarkt iemand zou zitten bedelen, ik het aan die persoon zou geven. Zo kan die er misschien iets lekkers mee te eten kopen. Echt waar, ik hóórde God bijna zeggen: 'Nathalie, je moet zelf elke cent bij elkaar scharrelen omdat je in het verleden veel te veel hebt weggegeven aan anderen, omdat je het niet kón aannemen, omdat je jezelf niet waardig vond. Je wil soms vlees kopen en dan kan je dat niet, en dan eet je weeral eieren. Ga nu alsjeblieft, alsjeblieft, alsjeblieft (!), naar de winkel EN KOOP ER ZELF ETEN MEE! Dúrf het eens aan iemand anders te geven! Ik heb dit hier voor jou gelegd zodat jij dit zou vinden, alsjeblieft, neem Mijn liefde en dit geschenk dan ook van Mij aan'.
Ugh. Wat een intern gevecht volgde daarop. Want verdien ik zoiets wel? Ik geloof van niet. Nu goed, ik besloot een deal met God te sluiten: als er iemand zit te bedelen, dan zal ik er opnieuw over bidden. Zit er niemand, dan koop ik er zelf eten van.
Surprise, surprise: er zat geen bedelaar voor de winkel. Ik heb er zelf een pak kippenborstfilets in snelverkoop mee gekocht en moest daardoor nog maar 1,5 euro opleggen. Ik moet zeggen dat ik me een beetje schaamde toen ik het geld aan de kassierster gaf, maar toen ik 's avonds de kip opat voelde ik me vooral heel gezegend en geliefd. Die kip was een geschenk voor mij, en wat ik daar ook van vind, ik moet het gewoon aannemen en mezelf ermee laten vullen (met zowel de kip als met Gods liefde en bescherming, in dit geval!).
Na mijn wandeling had ik twee lange en diepgaande telefoongesprekken. Beide gesprekken duurden een uur of langer, en bij beide gesprekspartners hoorde ik dezelfde pijn, hetzelfde verdriet, dezelfde vraag opduiken: 'Ben ik het wel waard?'. Vanop een afstand, omdat ik niet hen, hun verleden, hun kwetsuren ben, kan ik met veel overtuiging zeggen: 'Ja, jij bent dat waard! Jij bent het dubbel en dik waard! Jij bent het waard om omringd te worden door goede mensen, om liefde te ontvangen en goed voor jezelf te zorgen. Natúúrlijk ben jij dat waard!'.
Als ik dat tegen hen zeg dan doe ik dat met veel overtuiging. Ik meen wat ik zeg, met elke vezel van mijn lijf. Maar waarom kan ik dat niet tegen mezelf zeggen? En waarom kunnen zij dat niet tegen zichzelf zeggen?
In herstel leerde ik dat de 'waarom-vraag' niet de vraag is die gesteld dient te worden. De enige juiste vraag is: 'Hoe kom ik hieruit?'. En volgens mij is het antwoord daarop door het gewoon te doén. Om voor mezelf die kip te kopen, om 20 euro te mogen aannemen voor een door mij gehaakte sjaal, om mij te laten omringen en lief te laten hebben door anderen. Om, samen met God, door dat kwetsuur heen te werken. Om het door Hem te laten helen. 'De mate waarin we geven, is de mate waarin we terugkrijgen'. In dit geval niet geven aan anderen - dat heb ik zovele jaren gedaan, en ik was compleet leeggegeven -, maar aan mezelf. Hoe meer ik mezelf liefheb en hoe meer ik liefde durf te ontvangen van anderen, hoe meer oude kwetsuren geheeld kunnen worden. Een gebroken been kan ook weer heel worden. Geef het rust, tijd en een goede verzorging, en het is weer als nieuw. Dat is voor mij, voor ons, niet anders.
Een drietal jaar geleden beluisterde ik voor het eerst het nummer Dear God van Cory Asbury. Ik heb toen heel, heel, heel hard gehuild. Niet enkel die eerste keer, maar telkens ik het lied hoorde. Elk woord, elke zin, elke alinea raakte me heel erg diep. Het verwoordde al mijn pijn. Behalve de laatste zin. In de laatste zin kon ik me helemaal niet vinden. Ik kon het niet geloven. 'My child, you can love again'. Voor mij voelde het als een lege, loze belofte. Iets dat andere mensen kunnen, maar ik niet meer. Ik ben teveel gebroken, heb teveel meegemaakt. Aan mij zal het niet meer besteed zijn.
Wel, vandaag zijn we enkele jaren verder, en het voelt niet meer als een loze belofte. Hoe meer heling er door de jaren is gaan plaatsvinden, hoe meer ik erop ben gaan vertrouwen dat het ooit nog wel eens zou kunnen gebeuren. I mean, natúúrlijk kan ik liefde voor anderen voelen, maar vandaag gaat het toch nog steeds gepaard met een zekere mate van codependentie, met 'onzuiverheid', met anderen te willen redden, me door hen te willen laten 'heelmaken' en vooral het blij en gelukkig willen maken van de ander, ten koste van mezelf. Dat is geen zuivere liefde, dat is het gebruiken van mensen, vermomd als liefde. Het is zeker niet het soort liefde dat God beoogt. Toch heb ik steeds meer het gevoel dat er ook hierin heling aan het plaatsvinden is, ook al ben ik 'er' nog lang niet. Ik heb tijd, en God ook. Ik heb nog een heel leven voor mij, en ondertussen heb ik er alvast hoop en moed in dat het ook voor mij zal gebeuren. Alles in Gods tijd, niet in de mijne.
Reacties
Reactie plaatsen